In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle
Liefde voor iedereen, haat voor niemand

vrijdag, september 17, 2021

بِسْــــــــــــــــــمِ اﷲِالرَّحْمَنِ اارَّحِيم
In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle
Liefde voor iedereen, haat voor niemand

Home Antwoorden op bezwaren Reactie op het artikel ‘de mensen van Ibrāhīm’ door Gé Speelman op...

Reactie op het artikel ‘de mensen van Ibrāhīm’ door Gé Speelman op theologie.nl

Door Youssef Ikhlaf, jurist en vicevoorzitter Ahmadiyya Moslim Schrijversgilde.

Gé Speelman is Universitair docent Religiestudies aan de De Protestantse Theologische Universiteit (PThU) te Amsterdam.

Zijn de Profeten Ibrahim (as) en Jezus (as) superieur ten opzichte van de Heilige Profeet Mohammed (s) omdat zij vaker worden genoemd in de Heilige Koran?

Gé Speelman schrijft in zijn artikel over ‘de mensen van Ibrahim’ op de website theologie.nl van 13 augustus 2020 [1]:

“In de Koran komt de naam Ibrāhīm veel meer voor dan de naam Mohammed: 245 keer Ibrāhīm tegen drie keer Mohammed. Vaak grijpen de verhalen terug op vertelstof die kennelijk bij de toehoorders als bekend verondersteld werd”.

Sommige christenen beweren dat de Profeet Jezus (as) superieur is ten opzichte van de Heilige Profeet Mohammed (s) omdat Jezus (as) vaker genoemd wordt in de Heilige Koran. Jezus (as) wordt 25 keer bij naam genoemd, maar de Heilige Profeet Mohammed (s) slechts 4 keer. Gé Speelman beweert niet dat Ibrahim (as) vaker genoemd wordt omdat hij superieur zou zijn aan de Heilige Profeet Mohammed (s) maar hij geeft wel aan dat Ibrahim (as) vaker genoemd wordt zonder te nuanceren waarom hij die vergelijking maakt. Tevens vermeldt hij ook dat de Heilige Profeet Mohammed (s) drie keer wordt genoemd in de Heilige Koran, in feite wordt de Heilige Profeet Mohammed (s) vier keer genoemd.

Het antwoord op het oude bezwaar dat Jezus (as) vaker genoemd wordt dan de Heilige Profeet Mohammed (s) is als volgt (dit geldt ook voor sommige andere profeten die vaker worden genoemd):

  1. Maria (ra) (was geen Profeet) wordt 35 keer genoemd in de Heilige Koran, Johannes de Doper (as) 41 keer. Als de frequentie van getallen aanduiden dat een persoon superieur is, dan zijn Maria (ra) en Johannes de Doper (as) superieur ten opzichte van Jezus (as).
  2. Bovendien wordt Mozes (as) 135 keer genoemd in de Heilige Koran terwijl de Heilige Koran duidelijk maakt dat de Heilige Profeet Mohammed (s) alle Profeten en vrome mensen in uitmuntendheid overtreft.
  3. En als men zegt dat al deze profeten die het vaakst genoemd worden, Israëlitische profeten waren, dan geldt hetzelfde antwoord als hierboven vermeldt, namelijk; de woorden “Farao” en “Satan” komen vaker voor in de Heilige Koran dan de namen van Israëlitische profeten.
  4. Dit impliceert dat de frequentie waarin namen zijn genoemd absoluut niets te maken heeft met superioriteit.
  5. De verhalen die in de Heilige Koran staan, en waarin de namen van profeten voorkomen, zoals de Bijbelse profeten, worden vaak door God genoemd om de wandaden van hun volkeren aan het licht te brengen. Een ander doel is om de mensen indachtig te maken om hiervan lering uit te trekken.
  6. De Heilige Profeet Mohammed (as) zelf wordt in de Heilige Koran aangesproken met het voornaamwoord “u”, “uw”, “Boodschapper”, “Profeet”. Hij wordt vaak in de gebiedende wijs aangesproken. Deze manier van uitdrukking wordt in de Heilige Koran veelvuldig gebruikt. De Heilige Profeet Mohammed (as) wordt daarom veel vaker genoemd dan welk ander Profeet dan ook.
  7. De bewering dat Ibrahim (as) of Jezus (as) superieur zijn omdat zij vaker worden genoemd is daarom onjuist. De Heilige Koran instrueert de Moslims om in alle Profeten te geloven. Alle Profeten zijn door dezelfde God gezonden. De Heilige Koran verklaart daarnaast ook dat de Heilige Profeet Mohammed (s), ‘Khatam-un-Nabiyyīn’ is; het Zegel der Profeten(s). Dat houdt in dat de Heilige Profeet Mohammed (s) alle kwaliteiten bevat van alle Profeten. Hij overtreft alle Profeten in uitmuntendheid. De komst van de Heilige Profeet Mohammed (s) vond plaats volgens Gods plan en in overeenstemming met profetieën uit verschillende wereldreligies. De Heilige Profeet Mohammed(s) verscheen met de religie Islam in een tijd waarin de menselijke psyche het hoogtepunt van zijn potentie bereikte. Islam is de laatste, ontwikkelde vorm van geestelijke evolutie die de mensheid doormaakt en die in de tijd van de Heilige Profeet Mohammed(s) haar laatste fase bereikte. In de Islam zijn alle waarheden die tot doel hebben de mensheid in één universele broederschap te verenigen, door God verzameld. De leer van de Islam beperkt zich niet tot één bepaald volk of tot één bepaalde tijd, maar heeft integendeel een universele boodschap voor alle volkeren en voor alle tijden.

De rol van joodse en christelijke bronnen – een historisch perspectief

Gé Speelman schrijft verder in zijn artikel:

“In de latere uitlegliteratuur worden die verhalen dan weer uitgepakt en uitvoerig becommentarieerd, vaak met gebruikmaking van joodse en christelijke bronnen. Daarin worden de details gevonden waar gelovigen zich door kunnen laten stichten.”

“Toen Mohammed overleed in 632 waren er al professionele verhalenvertellers, Quṣṣaṣ (e.v. Qaṣṣ), actief. Veel van hen waren bekeerlingen uit het jodendom of christendom, en ze brachten hun kennis van de profeten uit hun geschriften mee.”

Een voorbeeld is Ka’b Ibn al-Aḥbar, een Jemenitische joodse bekeerling die leefde in de tijd van kalief ‘Umar (634-644). Het materiaal van de Quṣṣaṣ is later opgenomen door korancommentatoren, die in de twee generaties daarna actief werden. Veel van de termen en toespelingen in de Koran waren toen al niet helemaal duidelijk voor moslims die in grote steden in het Midden-Oosten waren gaan wonen.”

Hierop wil ik graag ingaan. Onder de uitlegliteratuur wordt verstaan de mufassirīn (مُفَسَّر ); Koran commentatoren, maar ook de schrijvers van de sīra of sīrat (سيرة), afgeleid van het werkwoord sāra, dat reizen of op reis zijn betekent. Sīra of sīrat wordt vertaald als (profetische) biografie. Dit zijn de traditionele moslimbiografieën over de Heilige Profeet Mohammed (s). Soms gebruikten de Koran commentatoren (en de schrijvers van de sīrat) inderdaad joodse en christelijke bronnen.

Zij maakten o.a. gebruik van verhalen die door de islamitische qāṣṣ (prediker/verteller) werden verteld die meestal bekeerlingen waren vanuit het Jodendom of Christendom. Qaṣṣ is het meest gezien als een verteller van verhalen, voornamelijk religieus van aard en vaak onbetrouwbaar. Zij kwamen in beeld na het overlijden van de Heilige Profeet Mohammed (s) tot aan de Umayyaden periode. Zij hadden geen invloed tijdens het rechtgeleide Kalifaat, en ook niet tijdens de eerste drie generaties; de ṣaḥābah, de tabi‘ūn en de tābi‘ al-tabi‘īn.

Het voormalige internationale Hoofd van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, de Vierde Khalifa (Kalief), Hazrat Mirza Tahir Ahmad(rh) legt dit uitstekend uit[2] in verband met het verhaal over de opstijging van Jezus (as):

“Het idee van fysieke opstijging van Jezus (as) infiltreerde heel geleidelijk in de moslimwereld. Het was ongeveer driehonderd jaar na de Heilige Profeet(s) van de Islam dat het tot het denken van de Moslims doordrong.”

Dit geeft aan dat het een geleidelijk proces was waarin externe ideeën in de Islam binnenkropen, en deze pas werkelijk hun doorgang konden vinden in het denken van de Moslims na ongeveer driehonderd jaar. Maar om te suggereren zoals Gé Speelman doet dat de details van het geloof uit de Quṣṣaṣ voort zijn gekomen is onjuist. De details van het geloof werden hoofdzakelijk ontleend uit de Heilige Koran, de Sunnah en instructies van de Heilige Profeet Mohammed (s) die onder andere later opgenomen zijn in de Ahadith. Ook speelden ijtihād en fiqh (islamitische jurisprudentie) een belangrijke rol. De sīrat en quṣṣaṣ speelden later een minder belangrijke rol als het gaat om details van het geloof.

Over de bekendste sīrat van Ibn Ishaq; Hij was van nature geneigd tot sīrat, maar hij voldeed niet aan de strenge standaard van Hadīth. Het is juist om deze reden dat Imām Bukharī zijn vertellingen niet accepteerde in Ḥadīth, maar ze wel accepteerde in sīrat zonder aarzeling.[3]

Imām Aḥmad bin Ḥanbal(rh) was ook deze mening toegedaan.[4]

De Profeet Ibrahim (as) was geen veelgodendienaar (mushrik) geweest

Gé Speelman schrijft verder:

“Het verhaal van Ibrāhīms jeugd is het meest vertelde verhaal in de Koran. Hierin komen twee elementen samen: de jonge Ibrāhīm ontdekt wie God, de schepper van hemel en aarde is en hij wendt zich af van de valse goden die door zijn mensen aanbeden worden’. En: Als Ibrāhīm in soera 6:75 e.v. een ster ziet wil hij die aanbidden als zijn Heer, maar de ster gaat onder. Dat gebeurt ook met de maan en de zon. Alles wat groot en schitterend lijkt gaat uiteindelijk ten onder.”

En:

“Dan verklaart Ibrāhīm in soera 6:79: ‘Ik wend mijn aangezicht tot Hem die de hemelen en aarde aangelegd heeft, als een aanhanger van het zuivere geloof (ḥanīf) en ik behoor niet tot de veelgodendienaars (mushrikīn).’ En: ‘Zo komt Ibrāhīm door zelf waar te nemen en na te denken op het rechte, zuivere spoor van het monotheïsme.”

Dit is een onjuiste interpretatie die ongelukkigerwijs onbewust algemeen wordt verkondigd. De Profeet Ibrahim (as) was nooit in de veronderstelling dat de ster, de maan en de zon God waren, en zich vervolgens hiervan heeft afgewend zoals de auteur suggereert.

Gé Speelman verwijst naar de volgende verzen[5]:

“En toen de nacht over hem kwam, zag hij een ster. Hij zeide: “Dit is mijn Heer.” Maar toen zij onderging, zeide hij: “Ik heb de dingen, die ondergaan niet lief.”

“En toen hij de maan zag glanzen, zeide hij: “Dit is mijn Heer.” Maar toen zij onderging zeide hij: “Had mijn Heer mij niet geleid dan zou ik zeker tot het dwalende volk behoren.”

“En toen hij de zon zag stralen zeide hij: “Dit is mijn Heer. Dit is de grootste” Maar toen zij onderging, zeide hij: “O, mijn volk, ik heb niets uitstaande met uw afgoden.”

“Ik heb mijn aangezicht oprecht gewend tot Hem, Die de hemelen en de aarde schiep en ik behoor niet tot de afgodendienaren.”

Deze verzen doen inderdaad in de eerste instantie vermoeden dat de Profeet Ibrahim (as) onder de veronderstelling was dat de ster, de maan en de zon God waren. Maar het tegendeel is waar; deze verzen van de Heilige Koran geven juist aan dat Profeet Ibrahim (as) vraagstellingen gebruikte als argument om zijn volk wakker te schudden.

Het voormalige internationale Hoofd van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, de Tweede Khalifa (Kalief), Hazrat Mirza Bahiruddin Mahmud Ahmad(ra) schreef in zijn commentaar[6] op de bovengenoemde verzen:

“In feite wilde hij (de Profeet Ibrahim (as)) het argument tegen de sterrenaanbidders gebruiken op een manier die doeltreffend zou kunnen zijn. Hij nam dus eerst aan of veronderstelde dat de ster zijn Heer was en toen deze verdween, haastte hij zich om te verklaren: Ik houd niet van hen die ondergaan. Hetzelfde was het geval met de ondergang van de maan en de zon. Over de zon sprak hij ironisch het woord “groter” of “grootst” om zijn volk te plagen om hun dwaasheid. Overigens moet hier worden opgemerkt dat Abraham het woord اکبر (groter of grootst) niet gebruikte voor de maan, die ook groter was dan de avondster. Deze weglating is veelbetekenend, want het toont duidelijk aan, dat hij reeds van plan was naar de zon te verwijzen, nadat hij het geval van de maan had opgelost.

(…) als Abraham werkelijk God zocht en oprecht de ster, de maan en de zon achtereenvolgens voor zijn Heer had aangenomen, dan had de conclusie waartoe hij op natuurlijke wijze had moeten komen, nadat hij geleidelijk de godheid van deze drie hemellichamen had verworpen, moeten zijn dat er in het geheel geen God was, maar in plaats van te verklaren dat er geen God was, wendde Abraham zich onmiddellijk tot zijn volk en zei: O mijn volk, ik ben zeker vrij van hetgeen gij met God vereenzelvigt; ik heb mijn aangezicht gewend tot Hem, Die de hemelen en de aarde geschapen heeft, en wend mij tot God. Hieruit blijkt, dat Abraham de ware God reeds kende en in Hem geloofde en slechts trachtte zijn volk geleidelijk tot Hem (God) te leiden. Laat de lezer slechts het gehele antwoord van Abraham lezen (verzen 81-83) en het zal hem glashelder worden dat Abraham niet alleen bekend was met de naam van Allah en in Hem geloofde, maar ook een diepe kennis bezat van Zijn eigenschappen.”

Verder benadrukt Hazrat Mirza Bahiruddin Mahmud Ahmad(ra) in zijn commentaar van vers 84 van hetzelfde hoofdstuk dat dit specifieke vers duidelijk maakt dat Ibrahim (as) nooit een afgodendienaar was geweest. Zie:

“En dit is onze bewijsgrond die Wij Abraham tegen zijn volk gaven. Wij verheffen graadsgewijze, wie Wij willen. Voorzeker, Uw Heer is Alwijs, Alwetend.”[7]

Hij schrijft hierover[8]:

“Dit vers geeft definitief uitsluitsel over de vraag of Abraham geleidelijk tot het geloof in God kwam door het ene hemellichaam na het andere voor zijn Heer te nemen, of dat het een kundig onderbouwd argument was waarmee hij de dwaling van zijn volk wilde aantonen omdat zij hemellichamen als goden vereerden. Het vers toont aan dat Abraham vanaf het begin duidelijk en standvastig was in zijn geloof in de Eenheid van God en dat wat hij zei over de zon en de maan enz. deel uitmaakte van het argument dat God hem had geleerd.”

Hij wijst dus de visie die tot op heden bestaat dat Ibrahim (as) een afgodendienaar was en geleidelijk in één God begon te geloven van de hand.

De Heilige Koran en de Bijbel verklaren dat Ismaël (as) de eerste zoon was en Isaäk (as) de tweede zoon, en beiden waren wettige zonen van Ibrahim (as)

Gé Speelman schrijft:

“Hier wordt Ibrāhīm aangezegd dat hij nakomelingen zal krijgen, een eigen ‘Aal’. Maar wie zijn die nakomelingen precies? In de Koran wordt hier op verschillende plekken verschillend over bericht. In soera 15:53 en 37:101 wordt de naam van de zoon niet genoemd. In 37:112 is de zoon Ishāq. Soms wordt, net als in soera 11 over ‘Ishāq en Ya’qub’ gesproken, alsof ze broers zijn. Op verschillende plaatsen wordt Isma’īl als afzonderlijke profeet genoemd, zonder dat er een link wordt gemaakt met Ibrāhīm; hij wordt dan in een lijst profeten ver na Ibrāhīm geplaatst (zo in soera 6:86, 19:54/5, 21:85, 38:48). Op weer andere plaatsen is Isma’īl wel duidelijk met Ibrāhīm verbonden (zie soera 2:125, 14:39).”

De Heilige Koran maakt expliciet duidelijk dat zowel Ismaël (as) als Isaäk (as) wettige zonen waren van de Profeet Ibrahim (as). En de Heilige Koran maakt ook duidelijk dat Ismaël (as) de eerste zoon was, immers Ismaël (as) wordt als eerst genoemd en vervolgens Isaaq (as). De volgorde in de Heilige Koran is er niet voor niets:

“Alle lof behoort aan Allah, Die mij in weerwil van ouderdom Ismaël en Izaak heeft gegeven Waarlijk mijn Heer is de Verhoorder van het gebed.”[9]

De link tussen het offer en de Hajj toont aan dat het Ismaël(as) was die op het punt stond geofferd te worden en niet Isaäk(as)

Gé Speelman schrijft verder:

“De Heilige Koran vertelt niet over welke zoon dit verhaal gaat, en moslim exegeten hebben hier lang over gediscussieerd. Tegenwoordig is de communis opinio dat het wel Isma’īl moet zijn geweest. Gezien de link tussen het offer en de Hajj een voor de hand liggende conclusie.”

De redactie van het tijdschrift ‘Al-Islaam’ heeft een thema besteed aan het onderwerp over de Profeet Ibrahim (as) en zijn zonen; Ismaël en Isaäk. Ik verwijs de lezer hier graag naar toe[10]. Ik citeer uit een artikel[11] uit het tijdschrift:

“Bovendien is het feit dat, hoewel er geen spoor te vinden is in de religieuze plechtigheden van de Joden en de Christenen over het vermeende offer van Isaäk door Abraham, de Moslims, die de geestelijke afstammelingen van Ismaël(as) zijn, met grote ijver zijn voorgenomen offer herdenken door elk jaar overal ter wereld rammen en geiten te slachten op de tiende dag van Dhul-Hijjah. Dit universele offeren van rammen en geiten door Moslims op een specifieke dag ter herdenking van Abrahams bereidheid Ismaël(as) te slachten, stelt onomstotelijk en zonder twijfel vast, dat het Ismaël(as) was, die Abraham(as) als offer bracht en niet Isaäk(as).”

Profeet Ibrahim (as) verbindt monotheïsten

Gé Speelman verwijst naar de volgende Koranverzen[12]:

“Ziet, gij twist over hetgeen, waarvan gij kennis hebt. Waarom twist gij dan (eveneens) over hetgeen, waarvan gij geen kennis hebt? Allah weet en gij weet niet.”

“Abraham was noch een Jood, noch een Christen, maar hij was een oprecht Moslim. En hij behoorde niet tot de afgodendienaren.”

Hij zegt vervolgens:

“Is Abraham/Ibrāhīm daarmee een figuur die religieuze mensen verbindt of juist helder (onder)scheidt?”

Het voormalige internationale Hoofd van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, de Tweede Khalifa (Kalief), Hazrat Mirza Bahiruddin Mahmud Ahmad(ra) schreef in zijn commentaar[13] op de verzen 3:66, 67 en 68:

“Zoals uit de context blijkt, betekenen de woorden, betreffende Abraham; de godsdienst van Abraham. Hij was noch een volgeling van de Torah, noch een volgeling van het Evangelie; want deze beide Boeken werden lang na hem geopenbaard. Toch twistten de mensen van het Boek onderling over de godsdienst van Abraham, waarbij elke partij beweerde dat hij geloofde zoals zij deden.

Het vers is een berisping voor de Joden, bij wie het redetwisten over godsdienstige vraagstukken een gewoonte en een tijdverdrijf was geworden.(…)

Als men kan zeggen dat Abraham tot één van de huidige godsdiensten behoort, dan is het wel de Islam; want (1) de Islam is een naam met een betekenis die betrekking heeft op de innerlijke geest van het geloof – onderwerping of gehoorzaamheid aan de wil van God; (2) Abraham zelf gebruikte het woord مسلم (Moslim) voor zichzelf en ook voor zijn zoon Ismaël, van wie de Heilige Profeet van de Islam afstamt (2. 129); en (3) hij bad dat uit zijn nageslacht een مسلم (moslim) volk mocht voortkomen (2:129). Maar hij was natuurlijk geen moslim in de zin dat hij in detail de religie volgde die door de Heilige Profeet was gebracht.

De zin dat hij niet behoorde tot hen die goden met God vereenzelvigen is een soort berisping voor joden en christenen die, ondanks dat zij zichzelf monotheïsten noemen, in feite polytheïsme praktiseerden en toch niet aarzelden om te beweren dat Abraham een van henzelf was.”

De Profeet Ibrahim (as) is voorzeker een figuur die monotheïsten verbindt. De oorzaak van verdeeldheid is echter dat sommige religies aanvankelijk monotheïsten waren maar polytheïsme praktiseren en intern redetwisten.

In de tekst komen de volgende afkortingen voor:
(s) Sallallāho ‘Alaihi wa sallam: Mogen de vrede en zegeningen van
Allah met hem zijn.
(as) ‘Alaihis salām: Vrede zij met hem.
(ra) Radi-Allāhu ‘Anhu/’anhā /’anhum: Moge Allah welbehagen in
hem/haar hebben.
(rh) Rahmatullāhi ‘Alaihi/’alaihā: Moge Allah zij hem/haar genadig zijn.
(aba) Ayyaduhullāho Ta’ālā bi Nasrihil-’Aziz: Moge Allah de Verhevene,
hem helpen met Zijn machtige Hand/Hul

Bronnenlijst:
[1] https://www.theologie.nl/artikelen/bijbel-en-exegese/de-mensen-van-ibrahim/?utm_campaign=Theologie.nl+2021+week+29&utm_source=kokboekencentrum.nl&utm_medium=email
[2] Review of Religions, October 2003, Vol.98, No.10
[3] Seal of the Prophets – Volume I, blz. 40
[4] Fatḥul-Mughīth Sharḥul-Fiyyatil-Ḥadīth, by Shams-ud-Dīn Muḥammad bin ‘Abdur-Raḥmān AsSakhāwī, Volume 1, p. 288, Bābun fī Ma‘rifati man Tuqabbalu Riwāyatuhū wa man Turaddu, Beirut, Edition (1403 A.H.)
[5] De Heilige Koran, 6:77-80
[6] https://www.alislam.org/quran/view/guide/?region=E51
[7] De Heilige Koran, 6:84
[8] https://www.alislam.org/quran/view/guide/?region=E51
[9] De Heilige Koran, 14:40
[10] https://bieb.islamnu.nl/product/de-twee-zonen-van-abraham/
[11] ‘Was het Profeet Ismaël(as) of Profeet Isaäk(as) die op het punt stond geofferd te worden in een droom van de Profeet Abraham(as)?’ Dit artikel kunt u vinden door op deze link te klikken: https://bieb.islamnu.nl/product/de-twee-zonen-van-abraham/. Oorspronkelijke bronnen: Uitgebreide uitleg over de Heilige Koran: 37:100-114; The Holy Quran with English Translation & Commentary by Hazrat Mirza Bashir-ud-Din Mahmud Ahmad; Volume 1; Pagina’s 2697 t/m 2700; https://www.alislam.org/quran/view/?page=2697&region=E54. Vertaald door Ahmad Said Ikhlaf. Zie ook: https://www.alislam.org/askislam/question/1135/; 25 Februari 1996 door Hazrat Mirza Tahir Ahmad in The London Mosque
[12] De Heilige Koran, 3:67 – 68
[13] https://www.alislam.org/quran/view/guide/?region=E51

Meest gelezen

Zijn mannen superieur aan vrouwen volgens de Islam? Oftewel: Staan mannen boven de vrouwen volgens de Islam?

 In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle Zijn mannen superieur aan vrouwen volgens de Islam? Oftewel: Staan mannen boven de vrouwen volgens de Islam?...

De beperking van de polygamie door de islam

DE BEPERKING VAN DE POLYGAMIE DOOR DE ISLAM Men zegt dat Islam polygamie heeft toegestaan. In feite heeft geen enkele godsdienst de polygamie zozeer beperkt...

Moeten Moslimvrouwen hun gelijkheid bewijzen door mannen te leiden in het gebed?

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle Moeten Moslimvrouwen hun gelijkheid bewijzen door mannen te leiden in het gebed?  Reem Shraiky, Life Devotee, International...

Is het getuigenis van een man gelijk aan dat van twee vrouwen volgens de Heilige Koran?

In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle Is het getuigenis van een man gelijk aan dat van twee vrouwen volgens de Heilige Koran? – Ahmadiyya...