In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle
Historische context van jizya en de heilige gebieden in de Islam in het licht van Koran 9:5, 9:28 en 9:29
Samengesteld door Youssef Ikhlaf en nagezien door Ahmad Said Ikhlaf
Een van de vragen die critici vaak stellen over de Islam:
- Waarom moesten christelijke en joodse stammen die geen verdrag hadden geschonden toch gedwongen worden om jizya te betalen?
- Waarom moesten die polytheïsten die niet betrokken waren bij gevechten uit Mekka en de omliggende gebieden worden verdreven?
- Waarom werden alle polytheïsten uit Mekka verbannen, ongeacht of zij een verdrag hadden geschonden of niet?
De vragen zijn in de eerste plaats verkeerd geformuleerd. Een nauwkeurigere en historisch correctere formulering is:
- Waarom werd van sommige joodse en christelijke stammen verlangd dat zij jizya betaalden, ook wanneer zij niet bekend stonden om het schenden van verdragen?
- Waarom werden bepaalde polytheïstische stammen na de verovering van Mekka niet langer toegestaan om in Mekka en de omliggende heilige gebieden te verblijven, ook als zij niet direct betrokken waren geweest bij gevechten?
- Waarom werd het openbare polytheïsme uiteindelijk verboden in Mekka en het heilige gebied eromheen, ongeacht individuele verdragsrelaties?
ANTWOORD OP VRAAG 1:
Historisch gezien werden bevolkingsgroepen na militaire veroveringen vaak onderworpen, economisch uitgebuit en verplicht tot arbeid of militaire dienst. De Islam schafte dergelijke praktijken af door niet-moslimonderdanen de speciale dhimmi-status te geven (H. Patrick Glenn, Legal Traditions of the World, blz. 218–219, Oxford University Press, 2007).
Omdat de islamitische staat kosten had, zoals voor het leger, rechtbanken, burgerlijk bestuur, sociale voorzieningen en infrastructuur, werd ook van niet-moslimburgers verwacht dat zij financieel bijdroegen. Moslims droegen bij via andere verplichtingen (vooral zakāt en militaire dienst), terwijl niet-moslims bijdroegen via jizya. In ruil daarvoor kregen niet-moslims de beschermde dhimmi-status en waren zij vrijgesteld van militaire dienst.
Jizya was dus geen straf voor het verbreken van verdragen. Ook als joden of christenen geen verdrag hadden geschonden, werd van hen verwacht dat zij jizya betaalden zodra zij onder de bescherming van de islamitische staat leefden en haar gezag accepteerden. De jizya-belasting vormde onderdeel van het politieke en financiële systeem van die staat. Het zou onrechtvaardig zijn geweest als alleen moslims de staat moesten financieren, terwijl niet-moslimburgers daarvan werden vrijgesteld.
Mensen werden niet gedwongen om jizya te betalen; het werd gezien als een belasting in ruil voor bescherming door de staat tegen externe vijanden.
Critici halen vaak vers 29 van hoofdstuk 9 van de Heilige Koran aan en beweren dat niet-moslims gedwongen werden jizya te betalen:
“Bestrijd diegenen onder de mensen van het Boek die niet in Allah, noch in de Laatste Dag geloven, noch voor onwettig houden wat Allah en Zijn Boodschapper onwettig hebben verklaard, noch de ware godsdienst belijden, totdat zij de belasting met eigen hand betalen terwijl zij onderdanig zijn.”
Het vers verwijst naar de Mensen van het Boek die in Arabië leefden. Net als de afgodendienaren van dat land stonden ook zij vijandig tegenover de Islam en probeerden zij deze uit te roeien. Daarom kregen Moslims de opdracht hen te bestrijden, tenzij zij ermee instemden om als loyale en vreedzame onderdanen onder de islamitische staat te leven.
De jizya waarnaar in het vers wordt verwezen, was de belasting die zulke niet-moslims als vrije burgers van de islamitische staat moesten betalen in ruil voor de bescherming die zij onder die staat genoten.
Hazrat Mirza Bashiruddin Mahmud Ahmad, de tweede Khalifa (Kalief) van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, schreef hierover in zijn commentaar op de Heilige Koran:
De uitdrukking ‘met eigen hand’ wordt hier figuurlijk gebruikt en betekent:
- Dat jizya niet met dwang van de Mensen van het Boek werd afgenomen, maar dat zij deze uit eigen hand betalen, d.w.z. dat zij er vrijwillig mee instemmen;
- Dat zij deze direct betalen, dus contant en niet in de vorm van uitgestelde betaling;
- Dat zij deze betalen terwijl zij het beschouwen als een gunst van de moslims, aangezien het woord “yad” (hand) ook “gunst” of “weldaad” kan betekenen.
Zie: https://alislam.org/quran/app/9:29
Voor meer info: https://www.alislam.org/question/does-islam-oppress-dhimmis-and-demand-jizya-or-death/
ANTWOORD OP VRAAG 2 EN 3:
De Heilige Koran bevat geen expliciet vers dat niet-moslims verbiedt om Mekka of Medina binnen te gaan. Historisch gezien bezochten niet-moslims na de verovering van Mekka deze steden nog steeds en vonden er interacties plaats. Ook werden religieuze delegaties van andere geloven in Medina ontvangen.
Een voorbeeld hiervan is een christelijke delegatie in Medina die toestemming kreeg om volgens haar eigen religieuze gebruiken te bidden, wat wijst op samenleven en tolerantie.
Vanuit dit perspectief is het verbod voor niet-moslims om de heilige steden binnen te gaan niet gebaseerd op de tekst van de Heilige Koran. Latere beperkingen worden eerder gezien als het gevolg van historische of politieke ontwikkelingen.
Voor meer informatie: https://www.alislam.org/question/non-muslims-not-allowed-makkah-madinah/
Ten tijde van de Heilige Profeet (s) bestond er een zeer specifieke situatie:
Dit wordt in de Heilige Koran vermeld in hoofdstuk 9, vers 28:
“O u die gelooft, de afgodendienaren zijn voorzeker onrein. Zij zullen daarom na (verloop van) dit jaar de Heilige Moskee niet naderen. En als u armoede vreest, zal Allah u, als Hij wil, uit Zijn overvloed verrijken. Voorzeker, Allah is Alwetend, Alwijs.”
Hazrat Mirza Bashiruddin Mahmud Ahmad, de tweede Khalifa (Kalief) van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap, schreef hierover in zijn commentaar op de Heilige Koran:
Het woord نجس (“najis” / onrein), zoals uitgelegd onder “belangrijke woorden”, betekent ofwel “iemand die geestelijk onrein is”, of “iemand met een ongeneeslijke aandoening”. Afgodendienaren worden hier daarom beschreven als:
- Geestelijk onrein zijnde; of
- Zodanig gewend geraakt aan afgoderij dat het voor hen bijna onmogelijk is zich daarvan te bevrijden.
Aangezien Mekka de geboorteplaats van de Islam is en een symbool van Abrahams grote geloof in de Ene God, was het noodzakelijk dat deze plaats geestelijk zuiver bleef. Daarom werd afgodendienaren verboden om de Heilige Moskee te benaderen.
Zie: https://alislam.org/quran/app/9:28
Deze situatie verwijst meestal naar de gebeurtenissen in de periode na de verovering van Mekka. Historisch speelde hier de politieke situatie van Arabië mee: jaren van oorlog, verbroken verdragen en stammenallianties tegen de Moslims.
Volgens islamitische bronnen werd uiteindelijk bepaald dat het heilige gebied rond Mekka geen centrum van polytheïstische rituelen meer mocht zijn. Dat is iets anders dan dat “ieder niet-moslim uit de heilige steden werd verbannen” of dat “iedere polytheïst overal werd verbannen”.
Een ander vers uit de Heilige Koran dat vaak door critici wordt aangehaald is als volgt:
“Wanneer de heilige maanden voorbij zijn, dood dan de afgodendienaren waar u hen ook vindt, en grijp hen en beleger hen en loer op hen uit elke hinderlaag. Maar als zij berouw tonen en het gebed verrichten en de zakāt betalen, laat hun weg dan vrij. Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.” (De Heilige Koran, 9:5)
Dit vers wordt vaak gebruikt als argument dat de islam het doden van niet-moslims zou toestaan, terwijl daarbij de historische en tekstuele context van het vers buiten beschouwing wordt gelaten. Het vers werd geopenbaard na jaren van vervolging van de Heilige Profeet Mohammed (s) en zijn volgelingen in Mekka, gevolgd door hun migratie naar Medina. Zelfs na deze migratie bleven bepaalde Mekkaanse stammen vijandelijkheden voortzetten en verbraken zij herhaaldelijk verdragen.
Het vers richt zich specifiek tot deze vijandige stammen (zoals Banu Khuza’ah, Banu Mudlij, Banu Bakr, Banu Damrah en Banu Sulaym), en niet tot alle niet-moslims. Toen de vijandelijkheden doorgingen, werd Moslims toegestaan om zich in zelfverdediging te verdedigen.
Zelfs in deze situatie stelt de Heilige Koran dat wanneer de tegenstanders berouw tonen en hun verdragen willen nakomen, het voor Moslims verplicht is om de militaire acties te stoppen en hen te vergeven.
Het is derhalve noodzakelijk om de historische context, evenals de voorgaande en daaropvolgende verzen, zorgvuldig in beschouwing te nemen. Critici negeren deze context vaak bewust om een misleidend en onjuist beeld van de Heilige Koran te schetsen.
Voor meer informatie: https://www.alislam.org/articles/why-does-quran-say-that-infidels-should-be-killed/




